Terug naar blog
Actualiteit

Liquidatiereserve uitkeren in 2026: nu doen of nog wachten?

8 maart 2026 8 min leestijd Nick

Je zit op je algemene vergadering, het resultaat van boekjaar 2025 ligt voor je, en je vraagt je af: keer ik die liquidatiereserves van 2021 of 2022 nu uit? Of wacht ik nog een jaar voor een lager tarief? Het is een vraag die ik de afgelopen weken van minstens tien klanten gekregen heb. En het antwoord is minder vanzelfsprekend dan je denkt.

TL;DR: Liquidatiereserves uit boekjaar 2020 of eerder kun je in 2026 uitkeren aan 5% roerende voorheffing. Voor reserves uit 2021-2022 betaal je nu 6,5%, maar na vijf jaar zak je naar 5%. Door inflatie (gemiddeld 1,9% in 2026, Federaal Planbureau) is het verschil verwaarloosbaar. Bestaande reserves worden niet geraakt door de nieuwe verhoogde tarieven.

Wat is een liquidatiereserve precies?

Een liquidatiereserve is een fiscaal voordelig spaarpotje binnen je vennootschap. Je legt een deel van je winst opzij op een aparte passiefrekening en betaalt daarop 10% anticipatieve heffing in de vennootschapsbelasting (art. 184quater WIB 92). Later kun je dat bedrag uitkeren als dividend aan een verlaagd tarief roerende voorheffing, in plaats van de gebruikelijke 30%.

Het systeem bestaat sinds 2014 en is specifiek bedoeld voor kleine vennootschappen. Het idee is simpel: je betaalt een beetje extra vennootschapsbelasting bij de aanleg, maar je bespaart fors op de roerende voorheffing bij uitkering. Dat is minder belasting dan je betaalt op je beroepskosten als zelfstandige, waar het marginale tarief tot 50% kan oplopen.

Uit mijn praktijk: veel klanten leggen elk jaar braaf een liquidatiereserve aan, maar vergeten vervolgens om die ook effectief uit te keren wanneer het fiscaal optimaal is. Dat geld blijft dan jarenlang stilstaan in de vennootschap terwijl het privé meer zou opbrengen.

Wettelijke basis: De liquidatiereserve is geregeld in artikel 184quater WIB 92. Kleine vennootschappen (in de zin van artikel 1:24 WVV) kunnen jaarlijks een deel of het geheel van hun boekhoudkundige winst na belasting vastleggen op een aparte rekening van het passief, mits betaling van 10% anticipatieve heffing.

Welke tarieven roerende voorheffing gelden er in 2026?

De Programmawet van 18 juli 2025 (BS 29 juli 2025) heeft de spelregels gewijzigd. Voor liquidatiereserves die aangelegd zijn voor 31 december 2025 gelden deze tarieven bij uitkering:

Wanneer uitkeren? RV-tarief Totale belastingdruk
Bij vereffening van de vennootschap 0% ca. 10%
Na 5 jaar wachttermijn 5% ca. 13,64%
Tussen 3 en 5 jaar (nieuw sinds juli 2025) 6,5% ca. 15%
Binnen 3 jaar 20% ca. 28%

Vergelijking belastingdruk per uitkeringsregime voor liquidatiereserves aangelegd voor 2026

Die tussenperiode van 3 tot 5 jaar aan 6,5% is nieuw. Voor de Programmawet moest je altijd vijf volle jaren wachten om aan 5% te kunnen uitkeren. Nu heb je een tussenoptie.

Uit mijn praktijk: die nieuwe tussenperiode is vooral interessant voor klanten die hun vennootschap willen stopzetten binnen drie tot vijf jaar. Vroeger zaten ze vast aan 20% als ze niet vijf jaar wilden wachten. Nu betalen ze “maar” 6,5%.

Wettelijke basis: De RV-tarieven voor liquidatiereserves staan in artikel 269, par. 1, 8° a WIB 92, zoals gewijzigd door de Programmawet van 18 juli 2025. De wachttermijn van vijf jaar blijft bestaan voor het laagste tarief van 5%, maar er is een nieuw tussentarief van 6,5% ingevoerd voor uitkeringen na drie jaar.

Liquidatiereserve uit 2021 of 2022: nu uitkeren of wachten?

Dit is de kernvraag. Laten we concreet rekenen.

Reserve uit boekjaar 2021

Een liquidatiereserve uit boekjaar 2021 staat inmiddels vier tot vijf jaar geboekt (afhankelijk van wanneer je boekjaar afsluit). Als je die in 2026 uitkeert, betaal je 6,5% roerende voorheffing. Wacht je tot 2027, dan zak je naar 5%.

Rekenvoorbeeld met 10.000 EUR liquidatiereserve:

Scenario RV-tarief Netto-uitkering Reële waarde (2% inflatie)
Uitkeren in 2026 6,5% 9.350 EUR 9.350 EUR
Uitkeren in 2027 5% 9.500 EUR 9.314 EUR

Je ontvangt nominaal 150 EUR meer als je wacht tot 2027. Maar door de inflatie (het Federaal Planbureau voorspelt gemiddeld 1,9% voor 2026) is die 9.500 EUR in 2027 in koopkracht slechts 9.314 EUR waard. Het verschil is verwaarloosbaar: 36 EUR.

Mijn advies: voor een liquidatiereserve uit 2021 maakt het nauwelijks uit. Heb je het geld nu nodig of kun je het privé beter beleggen dan het rendement in je vennootschap? Keer dan nu uit. Heb je geen haast? Dan kun je gerust een jaar wachten voor dat halve procentje.

Reserve uit boekjaar 2022

Bij een liquidatiereserve uit 2022 ligt het anders. Die staat pas drie tot vier jaar geboekt. Als je die in 2026 uitkeert, betaal je 6,5%. Maar wacht je tot 2028 (vijf jaar na aanleg), dan betaal je maar 5%.

Rekenvoorbeeld met 10.000 EUR liquidatiereserve:

Scenario RV-tarief Netto-uitkering Reële waarde (2% inflatie)
Uitkeren in 2026 6,5% 9.350 EUR 9.350 EUR
Uitkeren in 2028 5% 9.500 EUR 9.131 EUR

Hier is het verschil duidelijker. De nominale winst van 150 EUR door te wachten wordt ruimschoots tenietgedaan door twee jaar inflatie. De reële waarde daalt met 219 EUR. Nu uitkeren is financieel interessanter.

Reële waarde vergelijking: nu uitkeren vs. wachten voor liquidatiereserves 2021 en 2022

Uit mijn praktijk: ik heb vorige maand een klant geholpen die 45.000 EUR aan liquidatiereserves had staan uit 2022. Door nu uit te keren in plaats van twee jaar te wachten, bespaart hij in reële termen bijna 1.000 EUR. Dat is geen fortuin, maar het is gratis geld.

Wettelijke basis: Het FIFO-principe in artikel 184quater, lid 5 WIB 92 bepaalt dat bij uitkering de oudst aangelegde liquidatiereserves als eerst uitgekeerd worden beschouwd. Je hoeft de uitkering dus niet proportioneel over verschillende boekjaren te verdelen.

Wat verandert er voor nieuwe liquidatiereserves?

Het begrotingsakkoord Arizona van 24 november 2025 voorziet een forse verhoging voor liquidatiereserves aangelegd vanaf boekjaren die afsluiten na 30 december 2025.

Wanneer uitkeren? RV-tarief (nieuw) Totale belastingdruk
Bij vereffening 0% ca. 10%
Na 3 jaar wachttermijn 9,8% ca. 18%
Binnen 3 jaar 30% ca. 37%

Let op: de programmawet die deze verhoging doorvoert is op 8 maart 2026 nog niet gestemd. De verwachte inwerkingtreding is 1 april 2026.

Het grote verschil? De totale belastingdruk stijgt van 13,64% (oud regime, na 5 jaar) naar 18% (nieuw regime, na 3 jaar). Dat is bijna evenveel als VVPR-bis dividenden, die na de hervorming ook op 18% uitkomen (exclusief de 10% anticipatieve heffing).

Belangrijk detail: bestaande liquidatiereserves, aangelegd in boekjaren die afsluiten voor 31 december 2025, worden niet geraakt door deze verhoging. Die blijven onder het oude, gunstigere regime vallen. Heb je al liquidatiereserves aangelegd? Dan verandert er niets aan jouw tarieven.

Waarom doet de volgorde ertoe bij het FIFO-principe?

Bij uitkering geldt het FIFO-principe (First In, First Out). De oudste liquidatiereserves worden als eerste uitgekeerd. Dat is goed nieuws als je reserves uit verschillende boekjaren hebt opgebouwd.

Stel je hebt liquidatiereserves uit de boekjaren 2019, 2022 en 2025. Als je in 2026 een dividend uitkeert, wordt dat eerst aangerekend op de reserve uit 2019 (aan 5%), dan op die uit 2022 (aan 6,5%), en pas daarna op die uit 2025 (aan 20%). Je kunt niet kiezen om eerst de duurdere reserves uit te keren.

Dit speelt in je voordeel: de oudste reserves zijn ook de goedkoopste. Keer je een beperkt dividend uit, dan betaal je automatisch het laagste tarief.

Hoe werkt de dividendvrijstelling bij liquidatiereserves?

Naast de keuze wanneer je uitkeert, is er nog een fiscaal voordeel dat veel bedrijfsleiders over het hoofd zien. Ongeacht welk dividend je uitkeert, je kunt via je aangifte personenbelasting een eerste schijf van 833 EUR per persoon per jaar vrijstellen (art. 21, lid 1, 14° WIB 92). Die indexering is bevroren tot en met aanslagjaar 2030.

Concreet: je recupereert de ingehouden roerende voorheffing op die eerste 833 EUR via je privéaangifte. Bij 30% RV is dat maximaal 249,90 EUR per persoon.

Tip: pas de vrijstelling bij voorkeur toe op dividenden waarop 30% RV ingehouden werd. Op dividenden uit liquidatiereserves betaal je slechts 5% of 6,5% RV. De belastingwinst per vrijgestelde euro is dus groter bij gewone dividenden.

Ontvang je dividenden samen met je partner? Dan kan elk van jullie een eigen vrijgestelde schijf van 833 EUR benutten. Dat is tot 499,80 EUR rv-teruggave per gezin.

Veelgestelde vragen

Moet ik mijn liquidatiereserves verplicht uitkeren?

Nee, een liquidatiereserve uitkeren is geen verplichting. Je kunt ze onbeperkt in je vennootschap laten staan. Bij vereffening van de vennootschap is er zelfs 0% roerende voorheffing verschuldigd, waardoor de totale belastingdruk beperkt blijft tot de 10% anticipatieve heffing. Dat maakt het ook interessant als onderdeel van je pensioenplanning, naast je VAPZ en IPT.

Kan ik kiezen welke liquidatiereserve ik eerst uitkeer?

Nee, het FIFO-principe is verplicht (art. 184quater, lid 5 WIB 92). De oudst aangelegde liquidatiereserve wordt als eerste geacht uitgekeerd te zijn. Je kunt de uitkering niet aanrekenen op een recenter boekjaar om een hoger tarief te vermijden. Het FIFO-principe werkt wel in je voordeel: de oudste reserves hebben het laagste tarief.

Worden mijn bestaande liquidatiereserves geraakt door de nieuwe tarieven?

Nee. De verhoging naar 9,8% (na 3 jaar) en 30% (binnen 3 jaar) geldt uitsluitend voor liquidatiereserves aangelegd in boekjaren die afsluiten na 30 december 2025. Alle reserves uit eerdere boekjaren behouden de huidige gunstige tarieven van 5% (na 5 jaar), 6,5% (na 3 jaar) en 20% (binnen 3 jaar).

Wat is voordeliger: liquidatiereserve of VVPR-bis?

Na de hervorming komen beide regimes uit op een totale belastingdruk van ongeveer 18%. Het verschil zit in de timing: bij een liquidatiereserve betaal je 10% anticipatief bij aanleg, bij VVPR-bis betaal je alles pas bij uitkering (18% RV). De liquidatiereserve heeft wel het voordeel dat je bij vereffening 0% RV betaalt.

Hoeveel liquidatiereserve mag ik aanleggen?

Je mag het volledige boekhoudkundige resultaat na belasting aanleggen als liquidatiereserve, op voorwaarde dat je vennootschap als “klein” kwalificeert in de zin van artikel 1:24 WVV. Er is geen maximumbedrag, maar de liquidatiereserve kan nooit meer bedragen dan de beschikbare winst van het boekjaar.

Samenvatting: wat doe je het beste?

De belangrijkste punten op een rij:

  • Liquidatiereserve uit 2020 of eerder: uitkeren aan 5% RV. De wachttermijn is voorbij. Geen reden om nog te wachten.
  • Liquidatiereserve uit 2021: uitkeren in 2026 (6,5%) of wachten tot 2027 (5%) maakt in reële waarde nauwelijks verschil (36 EUR op 10.000 EUR). Kies op basis van je liquiditeitsbehoefte.
  • Liquidatiereserve uit 2022: nu uitkeren aan 6,5% is financieel interessanter dan wachten tot 2028 voor 5%. De inflatie eet het tariefvoordeel op.
  • Nieuwe reserves vanaf 2025: de spelregels veranderen. De totale druk stijgt naar 18%. Overweeg om nog snel reserves aan te leggen voor boekjaren die afsluiten voor 31 december 2025.
  • Bestaande reserves zijn veilig: de nieuwe hogere tarieven gelden niet voor wat je al hebt aangelegd.

Wil je meer weten over het verschil tussen liquidatiereserves en VVPR-bis dividenden? Dat behandelen we binnenkort in een apart artikel. Twijfel je over de beste strategie voor jouw situatie? Neem contact op voor een persoonlijk advies.

Door Nick Debruyne, ITAA-accountant bij ND-Consult in Oostende. Laatst bijgewerkt: 8 maart 2026.

Tags: liquidatiereserve roerende voorheffing uitkeren wachten

Vragen over dit onderwerp?

Boek een vrijblijvend kennismakingsgesprek en bespreek uw situatie.

Afspraak boeken