Terug naar blog
Vennootschap

Hoe uw liquidatiereserves beleggen?

30 maart 2026 8 min leestijd Nick
Close-up of a woman reviewing financial documents with focus on numbers and calculations.

U hebt een liquidatiereserve aangelegd, de 10% afzonderlijke aanslag netjes betaald, en nu moet dat geld minstens drie jaar in uw vennootschap blijven staan. Dat is de keerzijde van de nieuwe, kortere wachttermijn: u zit met een cashoverschot dat u niet zomaar privé kunt uitkeren. De grote vraag is dan: wat doet u daarmee in die tussentijd?

Samengevat: Met de nieuwe 3-jaarswachttermijn voor liquidatiereserves (sinds juli 2025) zoeken veel bedrijfsleiders naar de beste manier om dat cashoverschot productief in te zetten. De opties zijn beperkt door de korte horizon: een goede termijnrekening (1,8% tot 2,35% bruto) is in de praktijk de beste keuze. Obligaties lijken aantrekkelijker, maar de beurstaks en transactiekosten eten het rendementsverschil op. Spaarrekeningen bij grootbanken brengen te weinig op (0,5% tot 0,6%). DBI-beveks zijn niet geschikt voor deze korte termijn.

Waarom dit nu relevant is

Sinds de Programmawet van 18 juli 2025 kunt u liquidatiereserves al na drie jaar uitkeren aan 6,5% roerende voorheffing, in plaats van de vroegere vijf jaar. Dat is goed nieuws, maar het betekent ook dat u bewust met dat cashoverschot moet omgaan. Drie jaar is kort genoeg om concreet te plannen, maar lang genoeg dat stilstaand geld een gemiste kans is.

Ik schreef eerder al over wanneer u het best uitkeert: nu of wachten? en over de 36,36% belastingval bij vervroegde uitkering. Dit artikel focust op de tussenfase: hoe maakt u dat geld productief zolang het in de vennootschap moet blijven?

Uit mijn praktijk: een klant had 80.000 EUR aan liquidatiereserves op een zichtrekening staan die 0% opbracht. Na drie jaar was dat stilstaand geld hem ongeveer 4.200 EUR aan gemiste rente-inkomsten kost, vergeleken met een termijnrekening aan 1,8%. Dat is geld dat je gewoon laat liggen.

Hoe worden beleggingen fiscaal behandeld in de vennootschap?

Voordat u kiest waar u belegt, moet u begrijpen hoe de vennootschapsbelasting met uw beleggingsopbrengsten omgaat. Want de spelregels zijn anders dan privé.

Roerende voorheffing is verrekenbaar

Op rente en dividenden die uw vennootschap ontvangt, wordt in principe 30% roerende voorheffing ingehouden. Maar dat is niet het eindverhaal. Uw vennootschap betaalt vennootschapsbelasting op haar totale winst: 25% standaardtarief, of 20% op de eerste 100.000 EUR voor kmo-vennootschappen.

Omdat de 30% roerende voorheffing hoger is dan het vennootschapsbelastingtarief, is die rv verrekenbaar. Concreet betekent dit dat uw vennootschap effectief maar 20% of 25% belasting betaalt op die interesten en dividenden. Het verschil krijgt u terug via de aangifte vennootschapsbelasting.

Meerwaarden en minderwaarden

Hier wordt het interessant, en ook waar de vennootschap minder voordelig is dan privé.

Situatie Vennootschap Privé (sinds 2026)
Meerwaarde op obligaties Belast aan 20% of 25% Belast aan 10% (boven 10.000 EUR vrijstelling)
Meerwaarde op aandelen/fondsen/ETF’s Belast aan 20% of 25% Belast aan 10% (boven 10.000 EUR vrijstelling)
Minderwaarde op obligaties Fiscaal aftrekbaar Aftrekbaar in hetzelfde jaar
Minderwaarde op aandelen/fondsen/ETF’s Niet aftrekbaar Aftrekbaar in hetzelfde jaar
Aan- en verkoopkosten Aftrekbaar Niet aftrekbaar
Beheerskosten Aftrekbaar Niet aftrekbaar

Dat verschil in behandeling van minderwaarden is cruciaal. Als u belegt in aandelen of fondsen via de vennootschap en het gaat even slecht, kunt u die verliezen niet aftrekken. Bij obligaties wel. Dat maakt obligaties en vastrentende producten extra aantrekkelijk voor korte termijn.

Wettelijke basis: De belasting van meerwaarden op aandelen in de vennootschap is geregeld in art. 192 WIB 92 (DBI-aftrek voor participaties) en art. 24 WIB 92 (beroepsinkomsten). De niet-aftrekbaarheid van minderwaarden op aandelen volgt uit art. 198, §1, 7° WIB 92. De verrekenbaarheid van roerende voorheffing is vastgelegd in art. 304, §2 WIB 92.

Vergelijking fiscale behandeling beleggingsopbrengsten: vennootschap vs. privé

De opties voor drie tot vier jaar

Aangezien u al na drie jaar kunt uitkeren, is de beleggingshorizon kort. Dat sluit risicovolle of langetermijnproducten meteen uit. Dit zijn uw realistische opties.

Optie 1: spaarrekening

De eenvoudigste keuze. Bij de grootbanken (BNP Paribas Fortis, KBC, Belfius, ING) krijgt u momenteel 0,5% tot 0,6% per jaar, inclusief getrouwheidspremie. Bij kleinere banken of onlinebanken met betere spaarformules kunt u tot 1% of 1,3% halen.

Het nadeel: na vennootschapsbelasting houdt u daar 75% tot 80% van over. Op 50.000 EUR aan liquidatiereserves levert dat netto amper 375 tot 520 EUR per jaar op bij een grootbank. Beter dan niets, maar niet indrukwekkend.

Optie 2: termijnrekening

Dit is in de praktijk de beste optie voor de meeste vennootschappen. De betere termijnrekeningen bieden momenteel 1,8% tot 2,35% bruto op een termijn van een tot drie jaar. De meeste banken publiceren hun zakelijke tarieven niet openlijk, dus onderhandelen loont.

Op 50.000 EUR liquidatiereserves aan 2% bruto voor drie jaar levert dat bruto 3.000 EUR aan interesten op, waarvan u na vennootschapsbelasting (20% kmo-tarief) netto 2.400 EUR overhoudt. Niet spectaculair, maar het is risicoloos en u weet exact wat u krijgt.

Uit mijn praktijk: ik raad mijn klanten altijd aan om bij minstens twee of drie banken een offerte te vragen voor een termijnrekening op naam van de vennootschap. Het verschil tussen de standaardofferte en wat u na onderhandeling krijgt, kan makkelijk 0,3% tot 0,5% schelen. Dat lijkt weinig, maar op 100.000 EUR over drie jaar is dat 900 tot 1.500 EUR extra.

Optie 3: obligaties

Obligaties lijken op papier aantrekkelijker dan een termijnrekening, met iets hogere rendementen op drie tot vier jaar. Maar er zijn bijkomende kosten die het verschil wegwerken.

U betaalt:
Instapkosten bij aankoop (meestal 0,5% tot 1% bij uw bank)
Beurstaks bij aan- en verkoop (0,12% op obligaties op de secundaire markt)
Bewaarloon bij sommige banken

Als u die kosten meerekent, komt u bij obligaties vaak op hetzelfde of zelfs lager netto-rendement uit dan bij een goede termijnrekening. Het voordeel van obligaties is wel dat minderwaarden fiscaal aftrekbaar zijn in de vennootschap, maar bij een “buy and hold” strategie tot de vervaldag is dat argument minder relevant.

Optie 4: DBI-bevek

Een DBI-bevek (Definitief Belaste Inkomsten) is een beleggingsfonds waarvan de dividenden onder bepaalde voorwaarden voor 95% of 100% aftrekbaar zijn van de belastbare winst van uw vennootschap. Klinkt aantrekkelijk, maar er zijn twee belangrijke bezwaren.

Ten eerste moet er minstens 50.000 EUR aan bezoldiging per jaar uit de vennootschap worden betaald aan een bestuurder om in aanmerking te komen voor het verlaagd kmo-tarief. Ten tweede beleggen DBI-beveks voor 100% in aandelen. Op een horizon van drie jaar is dat riskant: u kunt te maken krijgen met een beurscrash net voor u wilt uitkeren, en minderwaarden op aandelen zijn niet aftrekbaar in de vennootschap.

Uit mijn praktijk: ik heb een klant gehad die in 2020 een deel van zijn liquidatiereserves in een DBI-bevek had gestoken, net voor de coronacrash. Op het moment dat hij wilde uitkeren, stond het fonds 15% lager. Die minderwaarde was niet aftrekbaar, en hij moest ofwel langer wachten ofwel het verlies slikken. Sindsdien raad ik DBI-beveks voor liquidatiereserves alleen aan bij een horizon van minstens zeven tot tien jaar.

Wettelijke basis: Het DBI-regime is geregeld in art. 202-205 WIB 92. De voorwaarden voor DBI-aftrek op beveks staan in art. 203 WIB 92 en het KB van 1 december 2016. De bezoldigingsvoorwaarde voor het kmo-tarief staat in art. 215, lid 3, 4° WIB 92.

Netto-rendement per beleggingsoptie voor liquidatiereserves op 3 jaar

De winnaar: termijnrekening

Als ik alles op een rijtje zet, is de termijnrekening voor de meeste vennootschappen de verstandigste keuze om liquidatiereserves te parkeren gedurende de wachttermijn van drie jaar.

Criterium Spaarrekening Termijnrekening Obligaties DBI-bevek
Bruto rendement 0,5% – 1,3% 1,8% – 2,35% 2% – 2,5% Variabel
Netto na VenB (20%) 0,4% – 1,04% 1,44% – 1,88% ±1,4% – 1,8% Variabel
Risico Geen Geen Laag Hoog
Kosten Geen Geen Beurstaks + instapkost Beheerskost
Geschikt voor 3 jaar? Ja, maar laag rendement Ja, optimaal Ja, maar kosten drukken Nee, te kort

De termijnrekening combineert een degelijk rendement met nul risico en nul kosten. Geen beurstaks, geen instapkosten, geen bewaarloon. Precies wat u nodig hebt voor geld dat u over drie jaar privé wilt uitkeren.

Concrete stappen

  1. Bepaal het bedrag. Hoeveel van uw liquidatiereserves kunt u missen voor drie jaar? Houd rekening met werkkapitaal en lopende verplichtingen van de vennootschap.
  2. Vraag offertes. Contacteer minstens drie banken voor een termijnrekening op naam van de vennootschap. Vraag specifiek naar het zakelijke tarief op drie jaar.
  3. Onderhandel. Banken hebben meer marge dan ze laten uitschijnen, zeker bij bedragen boven 50.000 EUR.
  4. Spreid indien nodig. Bij grotere bedragen (boven 100.000 EUR) kunt u overwegen om te spreiden over twee banken, zodat u binnen de bescherming van het depositogarantiestelsel blijft (100.000 EUR per bank per deposant).
  5. Plan de uitkering. Noteer wanneer de wachttermijn van drie jaar afloopt en bereid de dividenduitkering tijdig voor.

Veelgestelde vragen

Mag ik liquidatiereserves beleggen in ETF’s?

Technisch wel, maar het is niet aan te raden op een horizon van drie jaar. Meerwaarden worden belast aan 20% of 25% in de vennootschap, en minderwaarden op ETF’s zijn niet fiscaal aftrekbaar. Het risico staat niet in verhouding tot de korte termijn.

Wat als de rente daalt voor ik een termijnrekening afsluit?

Sluit zo snel mogelijk af. De ECB-rente is dalende, en banken passen hun tarieven aan. Wie nu een termijnrekening op drie jaar afsluit, legt het huidige tarief vast voor de volledige looptijd.

Kan ik het geld tussentijds opvragen bij een termijnrekening?

Meestal wel, maar tegen een boete (vaak verlies van de volledige rente). Zorg dus dat u alleen geld vastzet dat u effectief drie jaar kunt missen.

Geldt het depositogarantiestelsel ook voor vennootschappen?

Ja. Het Garantiefonds beschermt deposito’s tot 100.000 EUR per bank per deposant, ook voor rechtspersonen. Bij grote liquidatiereserves is spreiden over meerdere banken dus verstandig.


Nick Debruyne, ITAA-accountant bij ND-Consult in Oostende

Tags: beleggen vennootschap DBI-bevek kmo liquidatiereserve roerende voorheffing termijnrekening Vennootschapsbelasting

Vragen over dit onderwerp?

Boek een vrijblijvend kennismakingsgesprek en bespreek uw situatie.

Afspraak boeken